Ruim baan voor de creatieve klasse

23 april 2007

Creativiteit is de motor van de mondiale wereldeconomie. Elke stad doet z’n uiterste best om zoveel mogelijk creatievelingen te verleiden binnen haar stadsgrenzen te komen wonen en werken. En tja... creativiteit, wie kan daar nou tegen zijn? Maar zoals altijd blijkt dat wanneer bestuurders ergens enthousiast over geraken, waakzaamheid geboden is.

“Amsterdam wordt een creatieve stad”, riep burgemeester Cohen begin dit jaar in zijn nieuwjaarstoespraak. In de onlangs gepresenteerde notitie Ruimte voor talent, waarin het Amsterdamse gemeentebestuur haar visie op de toekomst van de stad geeft, draait het ook al om creativiteit: “Creativiteit en innovatie worden de grondstoffen van de 21ste eeuw”. Eindelijk lijkt deze wijsheid ook tot de Stopera doorgedrongen. Nog niet zo lang geleden stak het college van B& W nog 128 miljoen euro in een nooit gebruikte containerterminal in de Amsterdamse haven. En tijdens de open dagen in diezelfde haven, nog geen drie maanden geleden, liet wethouder van Economische Zaken Van der Horst zich nog ontvallen dat “Amsterdam nu goede sier [maakt] met de creatieven, maar het economische belang van de haven is ontelbare malen groter”.
Maar of ze het in de Stopera nu willen of niet, al in 2000 wees Charles Laundry Amsterdam in zijn spraakmakende boek The creative city; a toolkit for urban innovators al aan als een van de succesvolste steden dankzij de aanwezigheid van een grote creatieve sector. Begin dit jaar werd dit nog eens herhaald door Richard Florida wiens boek The Rise of the Creative Class uit 2002 inmiddels op het nachtkastje van elke stadsbestuurder is te vinden.

Tolerant
In zijn lezing op het congres ‘Creativity and the City’ dat begin dit jaar in de Westergasfabriek in Amsterdam werd gehouden, hield hij de verzamelde ambtenaren en politici nog eens voor dat Nederland en met name Amsterdam hoog scoort op zijn creativiteitsindex die is samengesteld uit de drie T’s: Technologie, Talent en Tolerantie. Steden met een hoog indexcijfer nemen een leidende positie in in de wereldeconomie. Daarin draait het immers niet meer om de productie van goederen en diensten – dat is allemaal verplaatst naar de lage loonlanden - maar om innovatie en ideeën en dus om creativiteit.
Grote steden zijn bij uitstek locaties waar kennis, creativiteit en innovatie tot bloei komen. Het zijn de plaatsen waar kennis niet alleen cumuleert maar ook gedeeld, gecombineerd en toegepast wordt door face-to-face ontmoetingen in een bijpassende omgeving. Grote steden vormen dé knooppunten in de internationale netwerksamenleving. Maar om als stad succesvol te zijn moet je volgens Florida niet alleen zorgen voor goede technologische infrastructuur en opleidingsinstituten, maar ook dat je zoveel mogelijk talent weet aan te trekken omdat de bedrijven dan vanzelf volgen. Steden moet en dus zorgen dat ze een plek zijn waar ontwerpers, adviseurs, ICT’ers, programma- en filmmakers, journalisten, kunstenaars en reclamejongens graag willen leven. De ‘verblijfskwaliteit’ van een stad wordt daarmee essentieel voor economische groei, zo meent Florida, en die kwaliteit wordt in hoge mate bepaald door de diversiteit in een stad en haar mate van tolerantie.
“Het hebben van broedplaatsen, seksclubs en coffeeshops is een enorm competitief voordeel”, aldus Florida. Niet omdat ze op zichzelf en aanjager zijn van economische groei, maar omdat ze iets zeggen over het tolerante klimaat, over de aard van de stedelijke cultuur die open staat voor diversiteit en vreemdelingen.
Het huidige restrictieve beleid ten aanzien van vreemdelingen is volgens Florida een enorme economische misser. “Nederland kan geen creatieve economie opbouwen op de schouders van de Nederlanders alleen. Je moet een manier bedenken om immigranten te verbinden aan de creatieve economie. Als je de grenzen dichtgooit, ondermijn je een van de grootste pluspunten: jullie openheid”, aldus Florida. in een interview in Agora (#1, 2004) .

Informele scenes
Florida had ondanks de hoge score van Amsterdam op de certaiviteitsindex nog wel meer aan te merken. Zo viel het culturele klimaat in Amsterdam hem wat tegen. “Veel van de kunst- en cultuurprogramma’s in Nederland zijn vooral voor ouden van dagen”. Maar de traditionele cultuur van opera en ballet is geen leidende factor meer. “Je zou veel meer moeten investeren in de informele kunst, in de ‘scenes’ op straat”, aldus Florida. Daar ontstaan niet alleen de vernieuwende ideeën, maar deze scenes zorgen ook voor een creatief klimaat wat weer nieuwe talenten aantrekt
Maar juist die scenes van informele kunstenaars en creatievelingen keerden Amsterdam de laatste jaren massaal de rug toe en vertrokken naar Rotterdam, Eindhoven, Antwerpen of Berlijn. Niet alleen omdat alle hippe plekken de laatste jaren zijn ingelijfd door de commercie - die verbindt zich immers graag met alles wat hip is – en bevolkt worden door het type ‘advocaat met stropdas’, maar vooral omdat door de enorme stijging van de grond en onroerend goed prijzen werkruimtes en ateliers onbetaalbaar zijn geworden of gewoon niet meer te vinden zijn.
In feite betaalt Amsterdam de tol voor de economisch zo succesvolle jaren negentig toen de stad uitgroeide tot een van de belangrijkste centra in de ‘Nieuwe Economie’. Van heinde en verre kwamen zowel whizzkids als kunstenaars, reclamejongens, ontwerpers én financieel specialisten naar dit mekka van de nieuwe media. Er was volop ruimte om te experimenteren en in de ruïneuze restruimtes van de ‘oude economie’ bevond zich bruisende culturele underground. In de verlaten pakhuizen en fabrieksgebouwen hadden muzikanten, theatermakers, kunstenaars en ambachtsmensen alle ruimte om te leven en hun creativiteit te botvieren. Hoewel veel van deze gekraakte vrijplaatsen in de jaren tachtig al waren ontruimd of gelegaliseerd, kon je ook in de jaren negentig in panden als de Silo, Vrieshuis Amerika, de ADM en het Entrepotdok nog wekelijks terecht voor feesten, optredens en experimentele theatervoorstellingen.
De economische boom van de jaren negentig en het inzicht van projectontwikkelaars dat deze ruïneuze restruimtes dankzij het pionierswerk van de creatieve vrijplaatsbewoners een enorme meerwaarde hadden gekregen, hebben er toe geleid dat ook deze laatste vrijplaatsen bijna allemaal moesten wijken voor nieuwe appartementen waarvoor de eerdergenoemde ‘advocaten met stropdassen’ maar al te graag paar ton euro neer wilde leggen. Hierbij niet beseffend dat er op deze voorheen spannende en bruisende plekken nu geen reet meer te beleven valt.

Broedplaatsen
Eind jaren negentig leek het gemeentebestuur te beseffen dat door het ontruimen van vrijplaatsen en de stijgende grondprijzen kunstenaars en startende creatieve ondernemers hun heil elders gingen zoeken. Sindsdien zijn er tientallen miljoenen euro’ s besteed aan het aankopen van kraakpanden en het oprichten en behouden van ateliers voor kustenaars en werkplaatsen voor ambachtlieden. Met dit ‘broedplaatsenbeleid’ hoopt de stad de creatieve vlucht in te dammen. Om de waarde van de creatieve humuslaag voor de stad nog eens te benadrukken, heeft het kunstenaarscollectief W139, eind jaren zeventig ontstaan uit de kraakbeweging, dit voorjaar de Amsterdamprijs voor de Kunsten 2003 in ontvangst mogen nemen.
Maar ondanks al deze aandacht en lovende woorden voor bewoners en gebruikers van vrijplaatsen en de informele scenes van kunstenaars en subculturen denken stadsbestuurders toch vooral met prestigieuze kunstinstellingen gebouwd door internationale sterarchitecten en grootschalige cultuurmanifestaties een creatief klimaat te kunnen scheppen. Hoewel de politieke en financiële elite van steden dergelijke prestigeprojecten prachtig vinden, hebben lokale creatievelingen hier helemaal niets aan. Vaak raken ze hierdoor juist in de verdrukking: veel bruisende lokale kunstcentra en scholingsprojecten worden genegeerd of zijn hun werkruimten en subsidies kwijtgeraakt. Zo raken jazzpodium het Bimhuis en het centrum voor nieuwe muziek de IJsbreker hun huidige ruimte kwijt maar dreigen ze het prestigieuze centrum voor nieuwe muziek aan de IJ-oever niet te kunnen betrekken omdat de huur niet is op te brengen. In ieder geval niet als ze hun huidige programmering handhaven.

McJobs
Het grootste probleem is natuurlijk dat de creatieve stad in de ogen van de stadsbestuurders in de eerste plaats een creatieve economie is. Cultuur, kunst, innovatie, kennis en de uitwisseling van ideeën worden gestimuleerd omdat het geld oplevert en zijn geen doel op zich. Dat was en is in de inmiddels geroemde vrijplaatsen en underground scenes juist wel het geval. De vrije uitwisseling van ideeën, maar ook diensten en goederen was en is vanzelfsprekend – het is eerder een creatieve samenleving of zelfs stad zónder economie.
Uiteraard is dat na twintig jaar neoliberale marktterreur nog voor weinig mensen te begrijpen, maar toch zouden sociaal democratisch geschoolde bestuurders - waarvan een stad als Amsterdam, maar ook andere grote steden er velen telt – tenminste moeten begrijpen dat de creatieve stad – en eigenlijk elke stad - kan fungeren als emancipatiemachine voor de ‘lagere’ klassen. Vooral voor kansarme of ongeschoolde mensen is de stad een plek waar ze hun talenten kunnen ontplooien en initiatief kunnen nemen. Daarvoor moeten ze zich een stuk van de stad kunnen toe-eigenen: een huis, een winkel of een werkplaats. Maar dat is in veel westerse steden, en zeker in Amsterdam niet meer mogelijk. De vrije ruimtes en rafelranden zijn verdwenen. Doordat alles in het teken staat van het economisch rendement wordt degene die nog niets is, maar bezig is iets te worden, helemaal buiten gesloten.
Door de uitleg die nu aan de theorieën van Florida en Laundry wordt gegeven, dreigt dit proces alleen maar erger te worden. De arme laagopgeleide, vaak allochtone, bevolking lijkt hierin plaats te moeten maken voor de talentvolle creatieve klasse die nu geen geschikte woonruimte kan vinden omdat de stad op slot zit. ‘Rijken erin, armen er uit’, zo kopte dagblad Het Parool naar aanleiding van een uitgelekte eerste versie van de eerder genoemde stadsnotitie Ruimte voor talent. Hoewel het gemeentebestuur zich haastte te zeggen dat dit zeker niet haar bedoeling is, blijkt uit de notitie die onlangs naar de gemeenteraad is gestuurd wel dat de laag opgeleide bevolking zich tevreden moet stellen met het ‘additionele’ werk waarvoor het ‘witte’ hoogopgeleide deel van de bevolking haar neus ophaalt. De ‘McJob’s’ waar je voor weinig geld vervelend gestandaardiseerd werk moet verrichten, zonder eigen inbreng en zónder creativiteit.
Richard Florida geeft toe dat zijn theorie geen antwoord heeft op de vraag hoe het moet met die 70 procent van de bevolking die niet deelneemt aan de ‘creatieve economie’. Maar dit maakt het in zijn ogen wel “belachelijk” om als stad je beleid te richten op het aantrekken van de creatieve klasse. “Wat je eigenlijk wilt doen is de creatieve contributie van álle inwoners vergroten”, zegt Florida. “We hebben een creatieve economie, maar geen creatieve samenleving. Dat is de politieke uitdaging. Niet het aantrekken van de geweldige moleculaire bioloog of de populaire musici, maar iedereen laten meedoen en profiteren.”
Geen ‘ruimte’ voor talent van buiten dus zoals Amsterdamse stadsbestuur wil, maar het stimuleren, aanmoedigen en ontplooien van talent van de eigen bevolking.

Joop van der Ende
Hiervoor is echter een heel ander soort beleid nodig dan het stadsbestuur voor ogen heeft. Een beleid dat aansluit bij de creativiteit van groepen aan de onderkant van de samenleving die verschillende overlevingsstrategieën kennen of de lokale organisaties die vechten tegen armoede en politieke en sociale uitsluiting. Hun creativiteit is misschien veel minder ‘sexy’ dan dat van de creatieve industrie, maar het ondersteunen van deze vormen van creativiteit levert wel een leefbare stad op.
Creativiteit laat zich immers moeilijk sturen, maar wordt wel gefrustreerd als het geen gestalte kan krijgen via individuele vindingen of een veelheid aan subculturen. Goed en divers onderwijs voor iedereen is dus veel belangrijker dan enkele prestigieuze opleidingsinstituten, zoals ook Florida promoot. Evenzo is een chaotische hoeveelheid culturele uitingen en sociale bewegingen veel belangrijker voor een stad dan het creëren van ruimte voor de creatieve klasse.
Misschien dat het Amsterdamse stadsbestuur eens een blik kan werpen op het succesvolle beleid van de progressieve Greater London Council ten tijde van het neoliberale schrikbewind van Tatcher aan het eind van de jaren zeventig en begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Om de hoge werkloosheid onder vooral allochtone jongeren te lijf te gaan, werden ze niet gedwongen vervelende baantjes te nemen waar ze toch geen zin in hadden en die er ook vaak niet waren, maar werd gekeken naar waar ze zelf mee bezig waren. Dat was popmuziek en alles wat daar in cultureel opzicht mee van doen heeft, zoals bars, clubs, winkels, kleding, ontwerp en studio’s. Het gangbare cultuurbeleid had daar weinig oog voor en zou bovendien tekort schieten omdat deze subculturen door de markt gedragen werden en wars waren van het publieke op subsidies gebaseerde regulatiesysteem. In Londen en diverse andere Engelse steden zijn destijds alternatieve economische strategieën tot ontwikkeling gebracht vooral bedoeld om jonge culturele ondernemers binnen deze subculturen te ondersteunen. De Great London Council ondersteunde zo de vormgeving en instandhouding van een kleinschalige onafhankelijke culturele infrastructuur van muziekproducenten, radiostations, uitgevers, platenstudio’s en ontwerpers. Zo werd ook tegengas geboden aan de culturele ‘majors’ en werden de lokale voorwaarden in stand gehouden voor culturele diversiteit. Dit keer echter niet tegen, maar door de markt heen.
Amsterdam maakt echter liever ruimte vrij voor een theater van Joop van der Ende, de parties van I,D&T en poppodia als de Heineken Music Hall en Pepsi stage dan dat ze deze vaak ‘etnische’ subculturen in de stad zelf de ruimte geeft.

Door: Freek Kallenberg in Gonzo Circus nr 64, augustus 2004.
Via: De Vrije ruimte

 
 
 

valid xhtml - css